donderdag 24 november 2011

TOEPASSINGSKAART 7, ONTWIKKELINGSGERICHT ONDERWIJS

TOEPASSINGSKAART 7 – BIJ HERSENEN IN ACTIE 
ONTWIKKELINGSGERICHT ONDERWIJS
De cirkel van basisontwikkeling.
- In het midden van de cirkel bevinden zich de basiskenmerken. Ze vormen het middelpunt van alle opvoedings en onderwijsleerprocessen. Als het middelpunt niet goed loopt, komt de rest ook moeizaam op gang. (Basiskenmerken, psychologische voorwaarden, voor ontwikkeling en leren.)
- De tweede ring van de cirkel wordt gevormd door de aspecten van de brede ontwikkeling. De ordening geeft een opbouw in de brede ontwikkeling aan: actie en intiatieven, communicatie, samen spelen en samen werken zijn nodig om ontwikkeling op de andere gebieden te mogen verwachten. Als zich op deze gebieden moeilijkheden voordoen is ontwikkeling in de volgende ringen in de cirkel bij voorbaat moeilijk.(Brede ontwikkeling die het hele menselijk handelen doortrekt)
- De buitenste ring in de buitenste cirkel komen we bij de specifieke kennis en vaardigheden. Maar zonder de tweede ring, en het middelpunt zijn er weinig garanties dat het leren van kennis en vaardigheden tot persoonsontwikkeling leidt. (
Specifieke kennis en vaardigheden die voor een brede ontwikkeling nodig zijn)
 

De kernactiviteiten.
- Spelactiviteiten: manipulerend spel, bewegingsspel en rollenspel.
- Constructieve en beeldende activiteiten: producten maken met expressie-, constructie-, bouw- en toevallige materialen en technieken.
- Gespreksactiviteiten: interacties en gesprekken tussen leerkracht en kinderen in de kleine en de grote kring en andere kringactiviteiten met een accent op communicatie taal en geletterdheid.
- Lees-schrijfactiviteiten: beginnende geletterdheid in spelactiviteiten, functionele lees-schrijfactiviteiten met eigen teksten en diverse middelen om teksten te maken.
- Reken-wiskundeactiviteiten: wiskundige handelingen in spelactiviteiten, wiskundige denkhandelingen en mathematiseren.


Hieronder zie je foto's die ik heb gemaakt van elke kernactiviteit bij mijn stage school. Bij elke foto geef ik een omschrijving van wat de kinderen aan het doen zijn, en welke rol de leerkracht in de basisontwikkeling kan spelen, gezien vanuit de zone van naaste ontwikkeling.
Spelactiviteiten.
Hier zijn de kinderen een bordspel aan het spelen. Zij hebben zelf de regels bedacht van dit spel. Bij spelactiviteiten heeft meestal de leerkracht een rol bij het begeleiden van vastlopen of conflicten.
Als er een conflict ontstaat en er geen oplossing bedacht kan worden, zou de leerkracht kunnen ingrijpen.

 
Constructieve activiteiten.
Hier zijn de kinderen van blokken een toren aan het maken.
Dit lijkt op spelactiviteiten maar hebben toch een eigen karakter. Het gaat nu namelijk om het laten onstaan van een product. De leerkracht zou hierbij een opdracht kunnen geven, en een verdeling kunnen maken van de blokken voor elke leerling.
Gespreksactiviteit.
Hier zie je de leerlingen met elkaar praten. Een kind is aan het woord, en de andere kinderen luisteren. De leerkracht zou hier een leidende/begeleidende rol kunnen hebben, zij kan de leerlingen sturen in een gesprek en bijvoorbeeld zorgen dat er geluisterd wordt naar elkaar aan de hand van een aantal regels.


Lees- schrijfactiviteiten.
Je ziet hier de leerlingen in hun schrijfwerkboek schrijven.
Lees en schrijfactiviteiten zijn belangrijk voor het kind om het vertrouwd te maken in de geletterdheid. De leerkracht geeft bij het schrijfwerkboek de instructie en opdracht. Als dit een vrije schrijfopdracht zou zijn dan kan de leerkracht de leerlingen een onderwerp geven waar zij over zouden kunnen schrijven.

Wiskundige activiteiten.
Je ziet hier de leerlingen werken aan hun rekenopdracht met behulp van een rekenrek. Hier geeft de leerkracht de instructie en de opdracht. Kinderen kunnen ook bezig zijn met rekenen in een winkelhoek, bijvoorbeeld bij het afrekenen of prijzen bedenken van de artikelen in de winkel.

zaterdag 19 november 2011

TOEPASSINGSKAART 9, SCHOLEN EN TALENTONTWIKKELING.

Toepassingskaart 9 bij Hersenen in Actie – Bijeenkomst 6.
SCHOLEN EN TALENTONTWIKKELING
School: Noordwijkse school.
Mijn vriendinnen uit Noordwijk hebben op de Noordwijkse school gezeten.
Ik heb aan hen gevraagd wat hun ervaringen waren. Ze zeiden dat de school erg veel doet met eigen interesses, veel luistert naar wat jij wilt, en erg open is. Ze gingen altijd met veel plezier naar school! Er waren keuze ateliers waar je aan mee kon doen, en hier keken ze altijd met veel plezier naar uit. Hier hebben zij ook veel van geleerd.

1.Waar richt deze school specifiek aandacht op?
De Noordwijkse school wilt een  basis leggen waarmee het kind na het doorlopen van de basisschool alles kan gaan leren wat binnen zijn/haar vermogen ligt. Er zijn 3 belangrijke aspecten die de school aan houdt namelijk het kind maakt kennis met de buitenwereld, ontdekt talenten en passies en de ontwikkeling van genoemde, en het kind leert persoonlijke en sociale vaardigheden. In de Noordwijkse Schoolmethode is aandacht een belangrijk begrip. Ze letten hierbij niet alleen op aandacht van de docent voor de kinderen, maar ook aandacht voor de verschillende leerbehoeften van een kind, aandacht voor omgeving en aandacht van kinderen onderling. Deze aandacht vind de school essentieel om zich optimaal te ontwikkelen. Het is belangrijk dat kinderen er achter komen wat ze leuk vinden, en waar ze goed in zijn, zodat ze tijdens hun leven keuzes kunnen maken die bij hen passen. “Het doel van de Noordwijkse School Methode is om een kind te laten schitteren met zijn eigen talenten, zodat hij van daaruit een positieve bijdrage kan leveren aan de wereld om zich heen.”  

2. Hoe maken kinderen keuzes?

De school vind het erg belangrijk dat de kinderen hun talenten en passies ontwikkelen en ontdekken. Omdat kinderen keuzevrijheid krijgen op de school in wat ze willen leren en hoe ze dat willen leren, leren ze met veel meer plezier en veel efficiënter. Een dag op de Noordwijkse school ziet er als volgt uit. In de ochtend ben je als leerling aan het rekenen en lezen. Dat is zoals elke reguliere basisschool. ´s Middags hebben leerlingen les in vakateliers. Hier kunnen zij hun eigen keuzes in maken, ze leren van alle vakken de basis. Je kunt bijvoorbeeld naar een techniek atelier, een wereldoriëntatie atelier en een constructie atelier. Er zijn momenten per dag dat je zelf opdrachten kunt kiezen, of mee kunt doen aan een project. De keuze hierin is vrij. Doordat kinderen zelf kiezen wat ze willen gaan doen, dus wat ze interesseert, gaat leren vrijwel vanzelf.
 
3. Hoe sluit het onderwijs aan bij de keuze van het kind?
De klassendocenten worden ondersteund door een docent in opleiding of een klassenassistent zodat de leerlingen regelmatig in kleine groepen begeleid kunnen worden. Voor de middaglessen in de ateliers zijn extra vakdocenten aangetrokken. Dit maakt het mogelijk dat de leerlingen in de middag vaak kunnen werken in groepen van rond de 15 kinderen. Een kind kiest zelf voor een atelier, en is vrij in de keuze.

4. Hoe sluit de school aan bij de talentontwikkeling?
De Noordwijkse school laat het kind zijn/haar passies ontdekken en ontwikkelen. Er zijn ook veel projecten in de school waar je aan mee kunt doen, als het je interesseert.

vrijdag 18 november 2011

6e BIJEENKOMST, WEEK 40.

Wat was nieuw voor je?
Een aantal begrippen waren nieuw voor mij deze bijeenkomst. Wat ik het meest bijzonder vond was het begrip atelierschool. Ik had hier nog nooit van gehoord, maar een studente uit onze klas loopt stage op zo'n school dus kon er meer over vertellen. Ik vind het heel apart dat een leerkracht, ateliers de hele dag kan geven! Ik zal me gaan vervelen.
We hebben het ook gehad over meervoudige intelligentie. Ik had er nog nooit van gehoord, maar kon mij er wel wat bij voorstellen. Toen wij aan de hand van de powerpoints waren ingelicht wat het precies was kregen wij allemaal een laptop om zelf een meervoudige intelligentietest te doen. Dit was erg interessant!

Wat heb je daarvan geleerd?
Ik heb geleerd hoe je kunt werken met de meervoudige intelligenties in de klas.

Wat ga je er mee doen in je stage?
Ik ga mij verdiepen in de intelligenties van mijn klas, ik moet ze wel eerst even ontdekken! Ik zal proberen bij mijn introducties elke keer iets toe te passen wat bij een intelligentie past.

5e BIJEENKOMST, WEEK 39.

Wat was nieuw voor je?
Deze les hebben we het gehad over het sociaal constructivisme.
En daar begon het al mee! Wat is het sociaal constructivisme? Het constructivisme vindt zijn wortels in het werk van Piaget. Ik had al gehoord van Piaget, en wist daar al een aantal dingen van. Daar kon ik dus wel wat van begrijpen, het werd echter een stuk lastiger toen er begrippen door heen werden gegooit die voor mij ook onbekend waren. Het logisch positivisme, episodisch geheugen, semantisch geheugen, procedureel geheugen, primacy, recency.. het riep allemaal vraagtekens op! We kregen een uitdraai van de powerpoint, dus daardoor kon ik mij meer focussen op wat Marijke ons probeerde uit te leggen. Om het helemaal goed te begrijpen, moest ik thuis nog wel het een en ander doornemen en opzoeken.

Wat heb je daarvan geleerd?
Ik citeer even letterlijk van internet: "Het constructivisme (ook wel: sociaal-constructivisme) is een psychologische kennistheorie die stelt dat veel (misschien alle) verschijnselen in de werkelijkheid "sociale constructies" zijn. Daarmee wordt bedoeld, dat een bepaald verschijnsel slechts ervaren wordt als iets dat werkelijk bestaat en van andere zaken onderscheidbaar is, omdat daarover in de samenleving een (vaak impliciete) afspraak is gemaakt." Als ik dit lees snap ik er niks van!
Wat ik heb begrepen is, dat de verwerving van de kennis niet direct door de leerkracht gaat maar door het resultaat van denkactiviteiten van de leerlingen zelf. De leerlingen leren dus door informatie te verbinden  met de kennis die ze al hebben.

Wat ben je van plan met deze kennis te gaan doen in je stage?
Ik ga zelf een constructivistische les geven in mijn stage klas, met de tips en uitleg van de bijeenkomst.
Ik ben erg benieuwd hoe dit gaat uitpakken!

4e BIJEENKOMST, WEEK 38

Wat was nieuw voor je?
Veel van deze les was al bekend voor mij, dit was nog een beetje blijven hangen van vorig jaar. Het werd tijdens deze les allemaal even opgefrist, en aangevuld met informatie. Wel nieuw was de cirkel met basisontwikkeling. Ook nieuw was het ontwikkelingsvolgmodel van Memelink.

Wat heb ik hiervan geleerd?
Dat je aan de hand van het ontwikkelingvolgmodel de leerlingen in je klas goed kunt volgen. Als de leerling dan op een punt komt waar het vast loopt, kun je als leerkracht in een oogopslag zien hoe je dit probleem kan verhelpen. Je helpt het kind een klein beetje weer op weg, de zone van naaste ontwikkeling wordt geprikkeld, en dit stimuleerd het kind weer om verder te gaan de goede richting op.

Wat ben je van plan met deze kennis te gaan doen op je stage?
Ik wil eerst mij meer verdiepen in deze stof om deze goed te beheersen. Als ik dit kan zou ik kunnen kijken tijdens spelletjes of deze wel goed bij de klas passen. Als dit niet het geval is, wil ik zelf wel een spel bedenken die dit wel doet. Ik moet even kijken of het ontwikkelingvolgmodel op mijn stage gebruikt wordt, en als dit zo is kan ik mij daar meer in verdiepen.

ONTWIKKELINGSMATERIALEN

Ontwikkelingsmaterialen.
Naam van het ontwikkelingsmateriaal: Kijk-doe I
Materiaal kenmerken: Vormen, kleuren, hout, kunststof.
Materiaalsoort: Hout en kunststof.
Hanteerbaarheid: Blokjes wel zijn makkelijk om op te pakken, maar de mozaik stukjes zijn platte plastic plaatjes dus is iets moeilijker als je fijne motoriek nog niet helemaal ontwikkeld is.
Uitvoering: In kleur en verschillende vormen.
Aantrekkelijkheid: Dit materiaal is best aantrekkelijk voor kinderen, het ziet er vrolijk uit door het kleurgebruik.
Brede ontwikkeling: Uiten en vormgeven, voorstellingen vormen en creativiteit.
Specifieke kennis en vaardigheden: Motorische vaardigheden, waarnemen en ordenen, schematiseren en symboolvorming.
Specifieke doelstelling: De leerlingen maken vanuit een plaatje, hetzelfde figuur na. Zij moeten letten op kleur, vorm en grootte van de figuren in het plaatje. Het figuur kan een 2d-figuur worden met gebruik van de mozaïek stukjes, of een 3d-figuur met gebruik van de blokjes.
Hoe kun je dit materiaal gebruiken?: Een leerling kan dit individueel doen,  maar ook onder begeleiding van een leerkracht. Het kan ingezet worden om een goede oog hand coördinatie te krijgen of bijvoorbeeld bij ruimtelijke oriëntatie (3d).
Is er een toelichting nodig bij het gebruik van het materiaal?: Ja, er moet voorafgaand aan het eerste gebruik met dit materiaal even verteld worden dat er verschil is tussen 2d en 3d.
Is het materiaal zelfcorrigerend?: Nee, er zou wel even gekeken moeten worden door een ander of het plaatje goed is nagemaakt.
Het is geschikt voor: individueel gebruik, tweetallen, groepje leerlingen.
Voor welke leeftijd ongeveer geschikt? Groep 1-2.

Naam van het ontwikkelingsmateriaal: Ringen en stokjes.
Materiaal kenmerken: Het zijn cirkels, stokjes en halve cirkels in verschillende maten, gemaakt van hout en ijzer.
Materiaalsoort: Hout en ijzer.
Hanteerbaarheid: Voor het oppakken van de materialen is enige fijne motoriek nodig.  
Uitvoering: De leerling kan met deze materialen zelf vormen leggen. Er zit geen voorbeeld bij, dus er wordt aanspraak gemaakt op de creativiteit van de leerling.
Aantrekkelijkheid: Qua uiterlijk is het niet erg aantrekkelijk, er zit niet veel kleur aan. Ik denk dat dit wel aantrekkelijk kan zijn voor een “technische” leerling.
Brede ontwikkeling: Actief zijn en initiatieven nemen, uiten en vormgeven, voorstellingen vormen en creativiteit, zelfsturing en zelfstandigheid.
Specifieke kennis en vaardigheden: Motorische vaardigheden, waarnemen en ordenen, gereedschappen en technieken, schematiseren en symboolvorming.                                                                               

Formuleer de specifieke doelstelling: Vanuit eigen creativiteit en gedachte een figuur maken met ringen en stokjes.
Hoe kun je dit materiaal gebruiken?: Het kan gebruikt worden voor leerlingen die graag creatief bezig zijn, en wat meer uitdaging willen omdat ze zelf het figuur kunnen bedenken.
Is er een toelichting nodig bij het gebruik van het materiaal? Ja, als er een specifieke opdracht aan verbonden is zoals bv. een figuur maken die aan twee zijden gelijk is. Er moet sowieso gezegd worden dat het de bedoeling is figuren te maken.
Is het materiaal zelfcorrigerend?: Alleen als er een opdracht aan verbonden is niet, anders wel.
Het is geschikt voor: Individueel gebruik, tweetallen, groepje leerlingen.
Voor welke leeftijd ongeveer geschikt?: Groep 1-2. Als er een opdracht aan verbonden is kan het ook gebruikt worden in groep 3.

Naam van het ontwikkelingsmateriaal: Vouwmap.Materiaal kenmerken: Map met voorbeelden van vouwfiguren.
Materiaal soort: Papier.
Hanteerbaarheid: Moeilijk, vraagt veel inzicht.
Uitvoering: Met gebruik van de voorbeelden moet er een figuur gevouwen worden. Dit wordt altijd een 3d figuur.
Aantrekkelijkheid: Ik vind de vouwmap niet erg aantrekkelijk. Voor leerlingen die zoeken naar een uitdaging zal het wel leuk zijn, omdat het er ook moeilijk uit ziet.
Brede ontwikkeling: Actief zijn en initiatieven nemen, uiten en vormgeven, voorstellingen vormen en creativiteit,  redeneren en probleemoplossend, zelfsturing, zelfstandigheid.
Specifieke kennis en vaardigheden: Motorische vaardigheden, waarnemen en ordenen, technieken, schematiseren en symboolvorming.
Specifieke doelstelling: Vanuit een 2d voorbeeld, een 3d figuur maken.
Hoe kun je dit materiaal gebruiken?: Dit materiaal kan ingezet worden als extra werk, of als een knutselactiviteit met de hele klas. Of voor kinderen die zoeken naar een uitdaging.
Is er een toelichting nodig bij het gebruik van het  materiaal?: Ja, als je het voorbeeld ziet en niet weet wat de lijnen, scharen etc. betekenen is het moeilijk om aan de slag te gaan.
Is het materiaal zelfcorrigerend?: Ja, je kunt zelf zien als je klaar bent of het gelukt is.
Het is geschikt voor: individueel gebruik.
Voor welke leeftijd geschikt?: Groep 7/8.
Naam van het ontwikkelingsmateriaal: Trio.Materiaal kenmerken: Vierkanten van plastic met een figuur er op.
Materiaal soort: Plastic.
Hanteerbaarheid: Het vraagt enige fijne motoriek op de kaartjes op te pakken.
Uitvoering: Witte vierkanten kaartjes, met een fel gekleurd plaatje er op.
Aantrekkelijkheid: Ja, er is veel kleurgebruik en er is gebruik gemaakt van herkenbare plaatjes.
Brede ontwikkeling: Actief zijn en initiatieven nemen, uiten en vormgeven, verkennen van de wereld, redeneren en probleemoplossend, zelfsturing, zelfstandigheid.
Specifieke kennis en vaardigheden: Motorische vaardigheden, waarnemen en ordenen.
Specifieke doelstelling: Aan de hand van plaatjes een kloppende combinatie zoeken van 3 figuren bij elkaar.
Hoe kun je dit materiaal gebruiken?: Leerlingen kunnen hierbij verbanden zoeken, en deze redeneren.
Is er een toelichting nodig bij het gebruik van het materiaal?: Ja, als je alle plaatjes bij elkaar ziet zie je niet gelijk verbanden. Dit moet even verteld worden voordat je aan de slag kunt.
Is het materiaal zelfcorrigerend?: Nee, er moet gekeken worden op de combinaties juist zijn.
Het is geschikt voor: Individueel gebruik, tweetallen, groepje leerlingen.
Voor welke groep geschikt?: Groep 3-4.

Naam van het ontwikkelingsmateriaal: Panorama.Materiaal kenmerken: Vierkanten van plastic met een figuur er op.
Materiaal soort: Plastic.
Hanteerbaarheid: Het vraagt enige fijne motoriek op de kaartjes op te pakken.
Uitvoering: Witte vierkanten kaartjes, met een fel gekleurd plaatje er op.
Aantrekkelijkheid: Ja, er is veel kleurgebruik en er is gebruik gemaakt van herkenbare plaatjes.
Brede ontwikkeling: Actief zijn en initiatieven nemen, uiten en vormgeven, redeneren en probleemoplossend, zelfsturing, zelfstandigheid.
Specifieke kennis en vaardigheden: Motorische vaardigheden, waarnemen en ordenen.
Formuleer een specifieke doelstelling: Aan de hand van een kaartje waar op staat wat de bedoeling is (vb. groot-klein) zelf een combinatie maken van 4 plaatjes die je in deze volgorde neerlegt.
Hoe kun je dit materiaal gebruiken?: Dit kun je gebruiken als oefening voor verbanden leggen, en volgordes maken.
Is er een toelichting nodig bij het gebruik van het materiaal?: Ja, er moet uitgelegd worden dat er een kaartje boven aan moet liggen met een opdracht, en dat daar onder de oplossingen komen.
Is het materiaal zelfcorrigerend?: Nee, er moet door een ander gekeken worden of de volgorde en combinatie juist is.
Het is geschikt voor: Individueel gebruik, tweetallen, groepje leerlingen.
Voor welke groep geschikt?: Groep 1-3.
Naam van het ontwikkelingsmateriaal: Vouwboekje.
Materiaal kenmerken: Geplastificeerde voorbeelden.
Materiaalsoort: Geplastificeerd papier.
Hanteerbaarheid: Het is in de vorm van een boekje, dus goed.
Uitvoering: Aan de hand van een voorbeeld in het boekje, wordt stap voor stap uitgelegd met een voorbeeld er naast wat je moet doen.
Aantrekkelijkheid: Kleurgebruik, en het ziet er makkelijk uit door de duidelijkheid.
Brede ontwikkeling: Actief zijn en initiatieven nemen, uiten en vormgeven, voorstellingen vormen en creativiteit,  redeneren en probleemoplossend, zelfsturing, zelfstandigheid.
Specifieke kennis en vaardigheden: Motorische vaardigheden, waarnemen en ordenen, technieken, schematiseren en symboolvorming.
Formulier een specifieke doelstelling: De leerlingen moeten aan de hand van een voorbeeld, stap voor stap zelf het voorbeeld namaken.
Hoe kun je dit materiaal gebruiken?: Je kunt dit inzetten als leerlingen nog moeten werken aan de motoriek.
Is er een toelichting nodig bij het gebruik van het materiaal?: Nee, het boekje spreekt voor zich.
Is het materiaal zelfcorrigerend?: Ja, de leerling kan zelf zien naar aanleiding van het voorbeeld of het gelukt is. Als er een stap verkeerd gaat is het misschien wat moeilijker.
Het is geschikt voor: Individueel gebruik, tweetallen, groepje leerlingen.
Voor welke groep geschikt?: Groep 2-3.






maandag 14 november 2011

TOEPASSINGSKAART 8, CONSTRUCTIVISTISCHE LES.

Toepassingskaart 8 bij Hersenen in Actie – Bijeenkomst 5.
CONSTRUCTIVISTISCHE LES.
Ik begin met het beschrijven van mijn eigen leerstijl.
Ik heb een aantal tests gedaan en er komen verschillende antwoorden uit, maar ik gebruik de test die wij in de les hebben gemaakt van Kolb.
Hier onder volgt de uitslag:
1. Dromer 2. Denker 3. Doener 4. Beslisser.

Zoals je ziet past de dromer het beste bij mij.
Wat is een dromer?
De dromer kijkt aandachtig hoe anderen een probleem aanpakken. Eerst goed kijken, dan pas zelf aan de slag gaan. De dromen kan zich goed inleven in verschillende situaties en kan een probleem vanuit vele standpunten bekijken. Daardoor ziet hij vaak vele oplossingen. Een dromer leert het beste als hij de tijd krijgt om na te denken: eerst nadenken, dan pas doen.
Sommige dromers twijfelen vaak en komen soms langzaam tot een besluit. Ze zijn voorzichtig en nemen weinig risico’s. Door zijn fantasie en inleving legt de dromer snel verbanden tussen verschillende situaties. Dromers maken en bedenken graag, maar hebben daar tijd en ruimte voor nodig.

Ik vind zelf dat als ik naar de andere omschrijvingen kijk dat deze het meeste bij mij past.
Alleen het gedeelte over dat ik twijfel over beslissingen, voorzichtig zijn en weinig risico’s neemt klopt niet helemaal. Dit is juist het tegenovergestelde. In dat opzicht ben ik meer een doener.
Ik ga nu kijken naar 3 kinderen met een verschillende leerstijl.
- Ni is een dromer, ze kijkt hoe anderen iets aanpakken en dan gaat ze zelf aan de slag. Is soms wat onzeker, wilt graag weten of ze iets goed doet. Denkt goed na over beslissingen. Ze kan vanuit verschillende opzichten nadenken, en heeft een grote fantasie en verbeeldingskracht.
- Es is een doener, ze werkt graag samen en wilt graag overal bij betrokken worden. Ze schiet snel in actie, en probeert anderen daar in mee te trekken. Ze kan zich makkelijk aanpassen als er iets veranderd. Ze werkt doelgericht, en wilt goede resultaten bereiken.
- Ro is een denker, ze denkt goed na over “problemen” en kan dan goed een oplossing bedenken. Ze werkt precies, en nauwkeurig. Ro heeft een kort en directe uitleg nodig omdat zij snel aan de slag wilt en is zelfstandig.

TOEPASSINGSKAART 4, DE 1-ZORGROUTE: REKENEN

Toepassingskaart 4 bij Hersenen in Actie – Bijeenkomst 3.
DE 1-ZORG ROUTE REKENEN
Stap 1.
Kijk of er een groepsplan aanwezig is in jouw groep, en neem dit op in je verslag
Er is geen groepsplan.

Stap 2.
Werk de door jou verzamelde gegevens nader uit om een beeld te krijgen van wat een algemene behoefte is. Selecteer deze leerlingen.Ik heb een aantal gegevens verzameld, namelijk:
- toets uit een rekenmethode. (De wereld in getallen)
- analyse van deze toets.
Ik bekijk de toets, wat mij opvalt is het volgende.
- Er zijn 3 leerlingen die de cijfers omdraaien. (Lu, Du en Pi)
- Bij de opdracht ‘2 meer en 2 minder’, zijn er 6 leerlingen die meer dan de helft of de
helft fout hebben. Varieert van 5/10, tot 10/10. (Ir, Da, Lu, Du, Pi, Sa)
- Bij de opdracht ‘splitsen van 5 en 6’, zijn er 3 leerlingen die meer dan de helft of de
helft fout hebben. Varieert van 3/6 tot 4/6. (Da, Lu, Sa)
- Er zijn 9 van de 17 leerlingen die 0 fout hebben gemaakt in de gehele toets.
- Er zijn 4 leerlingen die in totaal 10 of meer fouten hebben gemaakt. Varieert van 11/24
tot  14/24.

Stap 3.
Onderzoek de onderwijsbehoeften van jouw leerlingen.
- Ik denk dat de onderwijsbehoeften van leerlingen zijn:    
- De leerlingen hebben een leerkracht nodig die een instructie geeft die duidelijk is,
en  die aanspreekt. Bij opdrachten die de leerlingen al veel vaker hebben gedaan
zou het gewoon makkelijk kunnen dat ze een kort en bondige instructie krijgen
zonder te veel poespas er om heen. Maar bij onderwerpen die moeilijker zijn, en vrij
nieuw zie ik dat de leerlingen vaak “bang” worden, en het bij voorbaad al niet begrijpen.
Dan stel ik een erg energieke instructie voor, met dingen die de leerlingen
kunnen doen en ze enthousiast maakt.
- Een leerkracht die de leerlingen veel positieve aandacht geeft, en de leerlingen op
weg helpt als zij het niet begrijpen.
- De leerlingen willen graag opdrachten waar zij niet de hele tijd hetzelfde moeten doen,
dit werkt al heel snel demotiverend. Dus opdrachten waar veel verschillende
soorten sommen etc. in voor komen. 
           - De leerlingen hebben ook groepsgenoten nodig die al maakt een ander een fout,
deze leerling helpen.
Stap 4 en 5.
Wie, wat, hoe?

(Groep 1. Ka, Ji, Al, Ni, Ro, Je, Br, El, Do. – Groep die zelfstandig kan werken)
Groep 2. Ir, Da, Lu, Du, Pi, Sa.
Groep 3. Lu, Du, Pi.

Wie?

Groep 2.
Ir, Da, Lu, Du, Pi, Sa.
Wat?

Doel. (wat wil ik bereiken?)
De leerlingen kunnen een opdracht met als bedoeling 2 meer of 2 minder 80% foutloos maken.
Benodigdheden voor mijn doel.
Ik ga een opdracht maken met een leuk werkblad die de leerlingen kunnen  maken. Een werkblad met veel uitdaging, diversiteit en kleur. Ik gebruik hier een aantal dezelfde sommen voor als die uit de toets, en een paar nieuwe.
Hoe?

Aanpak.
Ik ga apart zitten met de leerlingen, zodat de leerlingen geen afleiding hebben van anderen. Ik creëer rust, en leg stap voor stap uit wat wij gaan doen. We kijken eerst het werkblad, wat zien we? Dan kijken we naar wat we moeten doen, hoe we dat gaan doen etc. Ik begeleid de leerlingen, en maak per opdracht met de leerlingen een aantal sommen samen. We gaan samenwerkend leren.  Ik zorg er voor dat iedereen tijd heeft om antwoord te geven en na te denken.
Organisatie.
Ik wil de kinderen apart nemen voor deze les tijdens een zelfstandig werk voor de rest van de klas.
Evaluatie.
Ik bekijk als het werkblad af is samen met de leerlingen hoe ze het hebben gemaakt. Hebben de leerlingen het nu begrepen? Wat het makkelijk/moeilijk? Leuk? Als ik zie dat een aantal leerlingen het nog niet begrijpen, zal ik deze nog een keer les geven over dit onderwerp. Ik maak dan een ander werkblad, adhv het oude werkblad.





Wie?

Groep 3.
Lu, Du, Pi.
Wat?

Doel. (wat wil ik bereiken?)
 De leerlingen kunnen de cijfers goed schrijven.
Benodigdheden voor mijn doel.
Ik ga voor deze leerlingen een opdracht maken voor het schrijven van cijfers. Ik moet veel diversiteit en uitdaging hebben, bijv. schrijven in zand, schrijven met verf, schrijven met kralen etc.
Hoe?

Aanpak.
Ik ga apart zitten met de leerlingen, zodat de leerlingen geen afleiding hebben van anderen. Ik creëer rust, en leg stap voor stap uit wat wij gaan doen. We kijken eerst het werkblad, wat zien we? Dan kijken we naar wat we moeten doen, hoe we dat gaan doen etc. Ik begeleid de leerlingen, en leg uit wat de bedoeling is. De leerlingen maken de cijfers die ik noem, en als zij een fout maken laat ik zien hoe het cijfer wel geschreven hoort te zijn. Dan kunnen de leerlingen het cijfer nog eens schrijven.
Organisatie.
Ik wil de kinderen apart nemen voor deze les tijdens een zelfstandig werk voor de rest van de klas.
Evaluatie.
Ik bekijk als het werkblad af is samen met de leerlingen hoe ze het hebben gemaakt. Hebben de leerlingen het nu begrepen? Wat het makkelijk/moeilijk? Leuk? Ik denk dat ik voor deze leerlingen maar 1 les nodig heb. Het kan zijn dat de leerlingen de cijfers nog af en toe niet goed schrijven, als dit constant zo blijft en het niet maar eens af en toe is, ga ik met die leerling nog eens een opdracht samen maken.



TOEPASSINGSKAART 3, DE HERSENVRIENDELIJKE LES.

Toepassingskaart 3 bij Hersenen in Actie – Bijeenkomst 2.
Hersenvriendelijke les.
Fogarty heeft een vierhoekenmodel ontwikkeld voor het beschrijven van de hersenvriendelijke klas, namelijk:
Het klimaat scheppen voor het denken. Dit houdt in dat we proberen om een rijke leeromgeving te creëren waarin kinderen zich prettig voelen en waarin ze geprikkeld worden om nieuwe dingen te leren. Hoe? Bijvoorbeeld door bedreigingen weg te nemen, uitdaging, vragen stellen..
Vormgeven aan het leren met denken. Zorgen dat de leerlingen er actief bij betrokken worden en dat de leerlingen ervaringen kunnen op doen. Hoe? Bijvoorbeeld door leerlingen in staat te stellen om actief te leren door middel van ervaringen die zo authentiek mogelijk zijn.
Lesgeven in de vaardigheden van denken. Zorgen voor processen die het denken, de communicatie en het omgaan met anderen stimuleren. Hoe? Door aandacht te geven zowel aan vaardigheden die men nodig heeft in het leven als aan vaardigheden die men nodig heeft om te kunnen leren en onthouden.
Denken over denken.Strategieën voor reflectie, en transfer aanbieden, helpen zorgen voor een maatstaf. Hoe? Door met leerlingen na te denken over het eigen denken door betekenis geven en transfer van leren (toepassen in andere situaties.)
Hier onder staan tips van David Sousa, die ik ga gebruiken in mijn voorbereiding.
Onder elk punt zet ik neer hoe ik dit heb toegepast. Dit zijn dus ook de hersenvriendelijke elementen in mijn les.
1. Zorg voor een doelgerichte, rijke leeromgeving.
- Op het smartboard staat het werkboek in het groot zodat ik de kinderen makkelijk kan begeleiden.
- Voor mijn introductie zijn aan de rechter kant van de klas alle tafels en stoelen aan de kant geschoven. Ik heb 9 stoelen neergezet in 3 rijen van 3. Hier kunnen de leerlingen zelf een route lopen, hetzelfde wat in de eerste opdracht gedaan moet worden.
2. Activeer de voorkennis van de kinderen.
- Vragen stellen, zoals: Wie is er wel eens in een doolhof geweest? Hoe onthoud jij makkelijk een boodschappenlijstje? Etc.
3. Neem de kinderen mee in de doelen die je wilt bereiken.
- Ik leg uit wat de kinderen gaan leren, en waarom ze dat leren.
“Ik heb hier een aantal stoelen neergezet, met op elke stoel een voorwerp. De bedoeling is dat jullie een route kiezen langs een aantal voorwerpen, en dat de andere kinderen onthouden hoe jij bent gelopen. In de eerste opdracht in je werkboek, wordt dit ook gedaan.”
4. Maak de doelen zichtbaar.
- De doelen zijn visueel zichtbaar, omdat de kinderen op het bord de opdracht kunnen zien die ze na de introductie gaan maken.
5. Activeer de hersenen door open vragen te stellen.
- Als de kinderen actief gaan denken, raken ze betrokken en leren ze beter.
- Hoe zou jij lopen door dit doolhof? Waarom? Hoe loop je een makkelijke route? Hoe loop je een moeilijke route?

6. Geef de kinderen ruim denktijd voordat ze een antwoord moeten geven
.
- Bij elke vraag die ik stel, wacht ik tot iedereen heeft kunnen nadenken. Daarna geef ik pas iemand de beurt.
7. Houd de vraag ‘in de lucht’ zodat alle kinderen blijven denken.
- Bij open vragen waar meerdere antwoorden mogelijk zijn, geef ik verschillende kinderen de beurt zodat ze blijven nadenken.
8. Stel niet te veel vragen achter elkaar, dit zorgt voor verwarring.
- Ik stel één vraag, en krijg antwoord. Daarna stel ik pas de volgende vraag.
9. Hersenen reageren op gevisualiseerde doelen.
- Ik vertel de kinderen dat als ze tijdens mijn introductie goed begrijpen wat de bedoeling is, ze de opdracht in het boek ook makkelijk kunnen maken.
10. Bied informatie op verschillende manieren aan.
- Eén kind loopt de route, de andere kinderen zien hoe het kind de route loopt, en een van die kinderen verteld daarna hoe het kind de route heeft gelopen.
11. Reflecteer met de kinderen.
- Wie liep er een moeilijke route? Kon je dat goed onthouden? Was het makkelijk? Etc.
12. Sluit af met een positieve emotie gekoppeld aan het onderwerp.
- Jullie hebben goed gekeken, en geluisterd naar elkaar! Knap!

Waar ben ik tevreden over?
- Ik vond dat de kinderen erg goed meededen tijdens de introductie, ze luisterden goed en lieten anderen ook aan de beurt.
Wat zou ik volgende keer anders doen?
- Ik zou per tweetal werken, zodat iedereen aan de beurt komt. Ik laat dan één kind de route lopen, en zijn partner vertellen hoe diegene heeft gelopen.
Wat was het effect bij de kinderen?
- Tijdens de opdracht in het werkboek, begrepen ze sneller wat de bedoeling was.