Toepassingskaart 3 bij Hersenen in Actie – Bijeenkomst 2.
Hersenvriendelijke les.
Fogarty heeft een vierhoekenmodel ontwikkeld voor het beschrijven van de hersenvriendelijke klas, namelijk:
Het klimaat scheppen voor het denken. Dit houdt in dat we proberen om een rijke leeromgeving te creëren waarin kinderen zich prettig voelen en waarin ze geprikkeld worden om nieuwe dingen te leren. Hoe? Bijvoorbeeld door bedreigingen weg te nemen, uitdaging, vragen stellen..
Vormgeven aan het leren met denken. Zorgen dat de leerlingen er actief bij betrokken worden en dat de leerlingen ervaringen kunnen op doen. Hoe? Bijvoorbeeld door leerlingen in staat te stellen om actief te leren door middel van ervaringen die zo authentiek mogelijk zijn.
Lesgeven in de vaardigheden van denken. Zorgen voor processen die het denken, de communicatie en het omgaan met anderen stimuleren. Hoe? Door aandacht te geven zowel aan vaardigheden die men nodig heeft in het leven als aan vaardigheden die men nodig heeft om te kunnen leren en onthouden. Denken over denken.Strategieën voor reflectie, en transfer aanbieden, helpen zorgen voor een maatstaf. Hoe? Door met leerlingen na te denken over het eigen denken door betekenis geven en transfer van leren (toepassen in andere situaties.)
Het klimaat scheppen voor het denken. Dit houdt in dat we proberen om een rijke leeromgeving te creëren waarin kinderen zich prettig voelen en waarin ze geprikkeld worden om nieuwe dingen te leren. Hoe? Bijvoorbeeld door bedreigingen weg te nemen, uitdaging, vragen stellen..
Vormgeven aan het leren met denken. Zorgen dat de leerlingen er actief bij betrokken worden en dat de leerlingen ervaringen kunnen op doen. Hoe? Bijvoorbeeld door leerlingen in staat te stellen om actief te leren door middel van ervaringen die zo authentiek mogelijk zijn.
Lesgeven in de vaardigheden van denken. Zorgen voor processen die het denken, de communicatie en het omgaan met anderen stimuleren. Hoe? Door aandacht te geven zowel aan vaardigheden die men nodig heeft in het leven als aan vaardigheden die men nodig heeft om te kunnen leren en onthouden. Denken over denken.Strategieën voor reflectie, en transfer aanbieden, helpen zorgen voor een maatstaf. Hoe? Door met leerlingen na te denken over het eigen denken door betekenis geven en transfer van leren (toepassen in andere situaties.)
Hier onder staan tips van David Sousa, die ik ga gebruiken in mijn voorbereiding.
Onder elk punt zet ik neer hoe ik dit heb toegepast. Dit zijn dus ook de hersenvriendelijke elementen in mijn les.
1. Zorg voor een doelgerichte, rijke leeromgeving.
- Op het smartboard staat het werkboek in het groot zodat ik de kinderen makkelijk kan begeleiden.
- Voor mijn introductie zijn aan de rechter kant van de klas alle tafels en stoelen aan de kant geschoven. Ik heb 9 stoelen neergezet in 3 rijen van 3. Hier kunnen de leerlingen zelf een route lopen, hetzelfde wat in de eerste opdracht gedaan moet worden.
2. Activeer de voorkennis van de kinderen.
- Vragen stellen, zoals: Wie is er wel eens in een doolhof geweest? Hoe onthoud jij makkelijk een boodschappenlijstje? Etc.
3. Neem de kinderen mee in de doelen die je wilt bereiken.
- Ik leg uit wat de kinderen gaan leren, en waarom ze dat leren.
“Ik heb hier een aantal stoelen neergezet, met op elke stoel een voorwerp. De bedoeling is dat jullie een route kiezen langs een aantal voorwerpen, en dat de andere kinderen onthouden hoe jij bent gelopen. In de eerste opdracht in je werkboek, wordt dit ook gedaan.”
4. Maak de doelen zichtbaar.
- De doelen zijn visueel zichtbaar, omdat de kinderen op het bord de opdracht kunnen zien die ze na de introductie gaan maken.
5. Activeer de hersenen door open vragen te stellen.
- Als de kinderen actief gaan denken, raken ze betrokken en leren ze beter.
- Hoe zou jij lopen door dit doolhof? Waarom? Hoe loop je een makkelijke route? Hoe loop je een moeilijke route?
6. Geef de kinderen ruim denktijd voordat ze een antwoord moeten geven.
- Bij elke vraag die ik stel, wacht ik tot iedereen heeft kunnen nadenken. Daarna geef ik pas iemand de beurt.
7. Houd de vraag ‘in de lucht’ zodat alle kinderen blijven denken.
- Bij open vragen waar meerdere antwoorden mogelijk zijn, geef ik verschillende kinderen de beurt zodat ze blijven nadenken.
8. Stel niet te veel vragen achter elkaar, dit zorgt voor verwarring.
- Ik stel één vraag, en krijg antwoord. Daarna stel ik pas de volgende vraag.
9. Hersenen reageren op gevisualiseerde doelen.
- Ik vertel de kinderen dat als ze tijdens mijn introductie goed begrijpen wat de bedoeling is, ze de opdracht in het boek ook makkelijk kunnen maken.
10. Bied informatie op verschillende manieren aan.
- Eén kind loopt de route, de andere kinderen zien hoe het kind de route loopt, en een van die kinderen verteld daarna hoe het kind de route heeft gelopen.
11. Reflecteer met de kinderen.
- Wie liep er een moeilijke route? Kon je dat goed onthouden? Was het makkelijk? Etc.
12. Sluit af met een positieve emotie gekoppeld aan het onderwerp.
- Jullie hebben goed gekeken, en geluisterd naar elkaar! Knap!
Waar ben ik tevreden over?
- Ik vond dat de kinderen erg goed meededen tijdens de introductie, ze luisterden goed en lieten anderen ook aan de beurt.
Wat zou ik volgende keer anders doen?
- Ik zou per tweetal werken, zodat iedereen aan de beurt komt. Ik laat dan één kind de route lopen, en zijn partner vertellen hoe diegene heeft gelopen.
Wat was het effect bij de kinderen?
- Tijdens de opdracht in het werkboek, begrepen ze sneller wat de bedoeling was.
Onder elk punt zet ik neer hoe ik dit heb toegepast. Dit zijn dus ook de hersenvriendelijke elementen in mijn les.
1. Zorg voor een doelgerichte, rijke leeromgeving.
- Op het smartboard staat het werkboek in het groot zodat ik de kinderen makkelijk kan begeleiden.
- Voor mijn introductie zijn aan de rechter kant van de klas alle tafels en stoelen aan de kant geschoven. Ik heb 9 stoelen neergezet in 3 rijen van 3. Hier kunnen de leerlingen zelf een route lopen, hetzelfde wat in de eerste opdracht gedaan moet worden.
2. Activeer de voorkennis van de kinderen.
- Vragen stellen, zoals: Wie is er wel eens in een doolhof geweest? Hoe onthoud jij makkelijk een boodschappenlijstje? Etc.
3. Neem de kinderen mee in de doelen die je wilt bereiken.
- Ik leg uit wat de kinderen gaan leren, en waarom ze dat leren.
“Ik heb hier een aantal stoelen neergezet, met op elke stoel een voorwerp. De bedoeling is dat jullie een route kiezen langs een aantal voorwerpen, en dat de andere kinderen onthouden hoe jij bent gelopen. In de eerste opdracht in je werkboek, wordt dit ook gedaan.”
4. Maak de doelen zichtbaar.
- De doelen zijn visueel zichtbaar, omdat de kinderen op het bord de opdracht kunnen zien die ze na de introductie gaan maken.
5. Activeer de hersenen door open vragen te stellen.
- Als de kinderen actief gaan denken, raken ze betrokken en leren ze beter.
- Hoe zou jij lopen door dit doolhof? Waarom? Hoe loop je een makkelijke route? Hoe loop je een moeilijke route?
6. Geef de kinderen ruim denktijd voordat ze een antwoord moeten geven.
- Bij elke vraag die ik stel, wacht ik tot iedereen heeft kunnen nadenken. Daarna geef ik pas iemand de beurt.
7. Houd de vraag ‘in de lucht’ zodat alle kinderen blijven denken.
- Bij open vragen waar meerdere antwoorden mogelijk zijn, geef ik verschillende kinderen de beurt zodat ze blijven nadenken.
8. Stel niet te veel vragen achter elkaar, dit zorgt voor verwarring.
- Ik stel één vraag, en krijg antwoord. Daarna stel ik pas de volgende vraag.
9. Hersenen reageren op gevisualiseerde doelen.
- Ik vertel de kinderen dat als ze tijdens mijn introductie goed begrijpen wat de bedoeling is, ze de opdracht in het boek ook makkelijk kunnen maken.
10. Bied informatie op verschillende manieren aan.
- Eén kind loopt de route, de andere kinderen zien hoe het kind de route loopt, en een van die kinderen verteld daarna hoe het kind de route heeft gelopen.
11. Reflecteer met de kinderen.
- Wie liep er een moeilijke route? Kon je dat goed onthouden? Was het makkelijk? Etc.
12. Sluit af met een positieve emotie gekoppeld aan het onderwerp.
- Jullie hebben goed gekeken, en geluisterd naar elkaar! Knap!
Waar ben ik tevreden over?
- Ik vond dat de kinderen erg goed meededen tijdens de introductie, ze luisterden goed en lieten anderen ook aan de beurt.
Wat zou ik volgende keer anders doen?
- Ik zou per tweetal werken, zodat iedereen aan de beurt komt. Ik laat dan één kind de route lopen, en zijn partner vertellen hoe diegene heeft gelopen.
Wat was het effect bij de kinderen?
- Tijdens de opdracht in het werkboek, begrepen ze sneller wat de bedoeling was.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten